> dcolumn.php?nr=51425&stuurdoor

Column

 

KERSTVERHAAL voor klein en groot

Zij was zijn zonnetje. Zeker in de vroege ochtend. Als zij langs huppelde om kwart over 8 dan zat hij voor het raam. Zij ging naar de school waar hij jaren bovenmeester was geweest. Later heette dat ‘hoofd van de school’ en nu is het een manager die de baas is, maar hij was nog een echte bovenmeester. Hij gaf altijd les aan de hoogste klassen. En nu, nu keek hij elke ochtend naar buiten, naar de ouders en de kinderen die naar ‘zijn’ school gingen. Auto’s, fietsende moeders met kleintjes achterop, of kinderen die er al slingerend naast fietsten, bakfietsen met de kinderen en de hond erin. Dat ging in één moeite door en…….., en dat kleine meisje met dat rode jasje dat altijd alleen naar school ging. Waar zij woonde wist hij niet, maar het zou wel dichtbij zijn want anders had ze niet alleen naar school mogen gaan. En als ze langskwam zwaaide ze, altijd. Ook in de middag als ze weer terugliep naar huis.
Zij huppelde altijd naar school. School was leuk. De juf was lief. In de klas had ze vriendinnetjes en vriendjes. Die waren aardig tegen haar. En ze vond leren ook nog leuk. Dus onderweg naar school toe was ze altijd vrolijk en dan huppelde ze. Ze lachte, ze zong en ze zwaaide naar die opa achter het raam en die opa zwaaide terug. Die was vast een beetje eenzaam dacht ze steeds. Er zat geen oma naast, dus die opa had vast geen oma meer. En daarom zwaaide ze op de terug weg ook. Maar dan huppelde ze niet.
Terug liep ze altijd, dacht hij. Ze zwaaide wel, maar ze huppelde niet. Nou wist hij uit ervaring dat kinderen vaak moe waren na een lange schooldag. Zeker als ze niet zo goed konden leren en wel heel hard moesten werken. Dat zal met haar dan ook wel het geval zijn. Dus hij zwaaide braaf naar haar. Leuk zo’n lief klein meisje met een mooie rode jas. Die jas droeg ze altijd. Zomer en winter. En hij werd wel een beetje klein dacht hij toen ze die middag in december weer langsliep. En ze zwaaide niet, maar ze keek wel. Zwaaien kon niet. In haar handen droeg ze een grote rode engel. Een kerstengel. Jij bent mijn kerstengeltje dacht hij nog. Toen ging hij weer zitten.
Een mooie grote rode kerstengel droeg ze. Ze mocht hem meenemen naar huis. Voor in de kerstboom. In plaats van de piek, had de juf gezegd. Onder het wijde kleed van de engel zat een rondje waarmee je hem boven in de boom vast kon maken. Ze was trots geweest. Heel trots. Knutselen was niet haar ding maar een engel voor in de kerstboom vond ze wel heel mooi om te maken. En ze had een complimentje gehad van de juf. Dat het zo mooi was geworden. Dat kreeg ze niet vaak bij handvaardigheid. En nu was ze extra blij en extra trots geweest. Een rode engel voor boven in de boom.Maar nu lag de engel bij het oud papier, of de vuilnis. Emily wist niet waar mama hem had gelaten. Mama was niet blij geweest met de rode engel. ‘Je weet toch dat we een zilveren boom hebben met zilveren ballen en slingers. En dan maak je een rode engel. Hoe stom kun je zijn. Jij deugt ook nergens voor’. Dat had mama geroepen, met een overslaande stem en een dubbele tong omdat ze zoveel gedronken had. Eerst met de buurvrouw en daarna alleen. En mama had de engel gepakt, verkreukt en weggegooid. En Emily wist niet waar. Ze was naar haar kamer gelopen, verdrietig, maar ze was het gewend. Ze maakte een plannetje en wachtte tot mama in slaap was gevallen. Dat gebeurde altijd vroeg in de avond als ze zoveel gedronken had. Dus eigenlijk altijd. Maar Emily redde zich prima. Als mama sliep pakte ze wat eten uit de kast of de koelkast. Dat kocht mama gelukkig tegelijk met de drank. En daarna ging ze op haar kamer zitten lezen of leren, douchen en naar bed.
Maar naar bed ging ze nu niet. Toen ze wat gegeten had ging ze op zoek naar haar engel. Ze vond hem achter de vuilnisbak. Ze streek de kreukels eruit. Maakte de vleugels weer stevig en hij zag er weer heel mooi uit. Op een hoekje van de vleugel na. Dat was afgescheurd en Emily kon dat stukje niet meer vinden. Daarna deed ze haar rode jasje aan en liep naar school. Nou ja, niet helemaal naar school. Ze liep naar het kleine huisje van opa. Niet haar opa, maar de opa die altijd zwaaide. Die was vast blij met de kerstengel. Dan had hij iemand om mee te praten.
De bel ging. Gek. Hij kreeg nooit bezoek. Zeker niet ’s avonds. De brievenbus
klepperde. Nou, nou, een aanhouder, en die wint dacht hij. Hij stond op en liep naar de deur. Hij deed de deur een klein stukje open. Zover als het kettinkje toe liet. Hij keek door het spleetje en zag een klein meisje in een rood jasje. Het was het kleine meisje dat altijd zwaaide. Hij deed de deur verder open. Ze strekte haar handen uit naar voren en hij zag de rode kerstengel die ze die middag zo voorzichtig had gedragen. Alstublieft, zei ze, voor u. Voor mij? Ja, voor u. Omdat u altijd zwaait. Mama wilde hem niet in de boom hebben want rood past niet bij zilver en toen dacht ik, ik geef hem aan opa. Die opa die altijd zwaait. Die wil hem misschien wel. Hij deed de deur verder open en vroeg of ze zin had in een kopje thee. Iets anders had hij niet. Ze aarzelde. Stel dat mama ….., toen stapte ze bij opa naar binnen. Iemand die altijd zwaait is aardig. Hij maakte thee en ze zaten tegenover elkaar in de kamer. En ze praat-ten, honderduit. Ook over het gescheurde stukje van de engel. Toen ze de thee op had pakte hij een punaise en een touwtje uit de kast. En hij hing de engel voor het raam. Dan heb jij er ook nog twee keer per dag plezier van. Dat zei hij. Toen ging ze weg. Ze liep terug naar huis. Of huppelde ze toch een beetje?


Terug

 
Meer informatie   ANBI-register Doopsgezinde Gemeente Apeldoorn
contact maandblad privacy
routebeschrijving nieuwsbrief disclaimer
veelgestelde vragen inloggen colofon
2021 Doopsgezind.nl