>

Eigen teksten

5 oktober 2020

De Doopsgezinde en de dief

Een Doopsgezinde uit den ouden tijd,
Die, naar zijn leer, geen waap’nen mocht besturen,
Moest eens een harden kamp verduren;
Maar ... bleef verwinnaar in den strijd.
Hij hoorde in huis - Verdacht gedruis. Een dief sloop op zijn eigendom,
Zijn zolder zacht en schuivend om.
Hij luistert eerst onrustig naar den stap,
En ging toen, onder aan de trap,
Met vaste stem half roepen, half gebieden:
“Vriend! Kom omlaag, U zal geen leed geschieden”.
Wel hoort men dan geen schuiven meer of schreden,
Maar toch, de vriend kwam niet beneden.
En ziet - De Mennoniet
Dacht: ga ik omhoog, dan dient er wel gestreden,
En bleef met vaste stem half roepen, half gebieden:
“Vriend! Kom omlaag, U zal geen leed geschieden”.
Daar kwam de dief schoorvoetend nader.
En wierp zich aan zijn voeten vol berouw.
“Heer”, smeekt hij, “heb erbarmen met een vader,
Die brood kwam stelen voor zijn kinderen en zijn vrouw”.
De Doopsgezinde schijnt bewogen.
Hij pinkt zijn tranen weg uit de ogen,
En ziet de dief oplettend aan.
Hij sprak: ”Zo gij me uw naam en woning op wilt geven
En nooit meer stelen om te leven,
Dan kunt ge nu wel huiswaarts gaan”.
Van zoiets had de dief niet kunnen droomen;
Hij ging veel lichter dan hij was gekomen.
Een onderzoek werd scherp gedaan,
De Doopsgezinde, die veel goed’ren had en zaken
Zocht iemand om zijn pakhuis te bewaken,
En nam den dief als zijn bediende aan.
Sindsdien zijn vele jaren - Heengevaren,
Maar nooit werd iemand zo trouw gediend,
Als deze Christen door zijn vriend.
(dit rijm werd rond 1900 op een school te Rotterdam uit het hoofd geleerd, AJB)


Terug
 
Meer informatie   ANBI-register Doopsgezinde Gemeente Apeldoorn
contact maandblad privacy
routebeschrijving nieuwsbrief disclaimer
veelgestelde vragen inloggen colofon
2021 Doopsgezind.nl